PSALM 31

Psalm 31


Informatie en bladmuziek over Psalm 31

Tekst en zang 1773 en Datheen

Product vergelijk (0)


67 voorspelen bij Psalmen - Dick Troost

67 voorspelen bij Psalmen - Dick Troost

Troost, Dick

67 voorspelen bij Psalmen van Dick Troost Voor orgelHet kerkelijk jaar rondInhoud:Psalm 2Psalm 8P..

€ 20,00

Collectie 1 - Dick Sanderman

Collectie 1 - Dick Sanderman

Sanderman, Dick

Collectie 1 van Dick SandermanInhoud:Psalm 25Psalm 26Psalm 31Psalm 42Psalm 62Psalm 72Omvang: 31 pagi..

€ 13,45

Commentaar op de Psalmen 1 - Jochem Douma

Commentaar op de Psalmen 1 - Jochem Douma

Douma, Jochem

Commentaar op de Psalmen 1 van Jochem Douma Commentaar op Psalm 1-41 Dit nieuwe commentaar op de..

€ 29,90

Dick Sanderman Koraalbewerkingen

Dick Sanderman Koraalbewerkingen

Sanderman, Dick

Dick Sanderman Koraalbewerkingen Dick Sanderman speelt koraalbewerkingen.3 Koraalbewerkingen vie..

€ 14,95

Prijst Hem in uw psalmen - Gerrit Jan van de Werfhorst

Prijst Hem in uw psalmen - Gerrit Jan van de Werfhorst

Werfhorst, Gerrit Jan van de

Prijst Hem in uw psalmen van Gerrit Jan van de WerfhorstInhoud: Psalm 31Psalm 33Psalm 72Psalm 89..

€ 8,95

Psalmen 2 - Chris Haalboom

Psalmen 2 - Chris Haalboom

Haalboom, Chr.

Psalmen 2 van Chris Haalboom25 Psalmen voor elektronisch orgel en kerkorgelInhoud:Psalm 26-50..

€ 8,95

Psalmen in voorspelen en zettingen 1 - Jan van Westenbrugge

Psalmen in voorspelen en zettingen 1 - Jan van Westenbrugge

Westenbrugge, Jan van

Psalmen in voorspelen en zettingen 1 van Jan van WestenbruggeInhoud:Psalm 1Psalm 6Psalm 8Psalm 19Psa..

€ 14,45

Psalmen voor eenklaviers orgel 1 - Jaap Niewenhuijse

Psalmen voor eenklaviers orgel 1 - Jaap Niewenhuijse

Niewenhuijse, Jaap

Psalmen voor eenklaviers orgel van Jaap NiewenhuijseInhoud: Psalm 19Psalm 31Psalm 105Psalm 147..

€ 11,95

Psalmen voor Nu - Beker met een barst muziekboek

Psalmen voor Nu - Beker met een barst muziekboek

Psalmen voor Nu - Beker met een barst muziekboekIn dit boek zijn opgenomen tekst en melodie van psal..

€ 15,00

Psalmen voor orgel - Joel Terdu

Psalmen voor orgel - Joel Terdu

Terdu, Joel

Psalmen voor orgel van Joël TerduInhoud:Psalm 31Psalm 73Psalm 105Psalm 119..

€ 9,95

Psalmen voor orgel 4 - Jan Vermeulen

Psalmen voor orgel 4 - Jan Vermeulen

Vermeulen, Jan

Psalmen voor orgel 4 van Jan VermeulenInhoud: Psalm 31Psalm 116..

€ 10,95

Psalmvoorspelen voor orgel - Hans Pors

Psalmvoorspelen voor orgel - Hans Pors

Pors, Hans

Psalmvoorspelen voor orgel van Hans PorsInhoud: Psalm 6, 31, 55, 81, 87, 106, 119, 121, 124, 130..

€ 12,95

Weergeven 1 t/m 12 van in totaal 24

Psalm 31

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.
2 Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.
3 Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.
4 Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.
5 In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!
6 Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
7 Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, [en] mijn ziel in benauwdheden gekend;
8 En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
9 Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
10 Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.
11 Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.
12 Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.
13 Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.
14 Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
15 Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.
16 Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
17 HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
18 Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.
19 O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; [dat] Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!
20 Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor den twist der tongen.
21 Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, [mij] [voerende] [als] in een vaste stad.
22 Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.
23 Hebt den HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! [want] de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft.
24 Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt!

Psalm 31

Vers 1
Op U betrouw ik, HEER der heren,
Op U, gelijk 't betaamt;
Ai, laat mij nooit, beschaamd,
Van Uwen troon teruggekeren;
Help mij, op mijn gebeden,
Door Uw gerechtigheden.

Vers 2
Och, neig tot mij Uw gunstig' oren,
Schiet haastig toe; dat mij
Uw naam een rotssteen zij;
Een huis, een welgesterkte toren,
Die, op een klip verheven,
Mij veiligheid kan geven.

Vers 3
Gij zijt alleen (wat zou ik vrezen?)
Mijn rots, mijn burcht, o HEER!
Ja, Uwen Naam ter eer,
Zult Gij mij tot een herder wezen.
Mijn Helper, scheur de netten,
Die z' in 't verborgen zetten.

Vers 4
'k Beveel mijn geest in Uwe handen;
Gij, God der waarheid, Gij,
O HEER, verlostet mij.
Ik haat hen, die het reukwerk branden
Ter eer van valse goden;
Op U steun ik in noden.

Vers 5
'k Zal in Uw goedheid mij verblijden;
Gij hebt mij aangezien,
En hulpe willen biên
In mijn verdrukking en mijn lijden;
Toen, in mijn zielsellende,
Uw aangezicht mij kende.

Vers 6
Ook hebt Ge mij niet weggestoten,
Noch mij, van allen kant,
Benauwd door 's vijands hand;
Neen, 'k heb Uw trouwe hulp genoten:
Gij deedt met vaste schreden,
Mij in de ruimte treden.

Vers 7
Bewijs, o HEER, Uw mededogen;
Verhoed mijn ondergang;
Ik ben beklemd en bang;
Het zwaar verdriet doorknaagt mijn ogen;
Het doet mijn ziel bezwijken,
En 's lichaams krachten wijken.

Vers 8
De bitt're smart verteert mijn leven;
Mijn tijd wordt dag aan dag
Versleten in geklag;
Ik voel mijn krachten mij begeven
Door zonden, die met plagen
Mijn beend'ren fel doorknagen.

Vers 9
Mijn weêrpartijders, zeer te duchten,
Verwekken mij elks haat
En mijner buren smaad;
'k Ben tot een schrik, mijn vrienden vluchten;
Daar z', om mijn blaam en lijden,
Mij op de straten mijden.

Vers 10
Ik ben, als dood, in't hart vergeten,
En word niet meer geschat,
Dan een bedorven vat;
'k Hoor hoeveel kwaads mij wordt verweten;
Waar zou ik veilig wezen?
'k Heb van rondom te vrezen.

Vers 11
Terwijl zij samen zich verbinden
Besluiten zij mijn dood.
Maar, HEER, 'k vertrouw in nood
Op U; dit doet mij sterkte vinden;
'k Mag, met gelovig roemen,
U mijn Verbondsgod noemen.

Vers 12
In Uwe hand zijn mijne tijden;
'k Verlaat mij in mijn leed
Op U alleen, Die weet
De maat en 't einde van mijn lijden;
Red mij van wie verbolgen,
Ter dood toe mij vervolgen.

Vers 13
Laat over mij Uw aanschijn lichten;
Zie op Uw dienstknecht neer;
Verlos mij toch, o HEER;
Doe mij nooit voor mijn haat'ren zwichten;
Beschaam niet, laat niet zuchten,
Dien Gij tot U ziet vluchten.

Vers 14
Beschaam, verschrik de goddelozen;
Verstom hen in den dood.
Och, of Uw almacht sloot
De valse lippen van die bozen,
Die, stout en trots, verachten
Hen, die Uw wet betrachten.

Vers 15
Hoe groot is't goed, dat Gij zult geven
Hem, wiens oprechte geest
Op U betrouwt, U vreest!
Hoe groot is 't heil, dat G' in dit leven,
Ver boven beed' en wensen,
Reeds wrocht voor 't oog der mensen!

Vers 16
Gij zult uw volk een schuilplaats wezen;
Gij bergt hen in het licht,
Van 't Godd'lijk aangezicht,
Daar zij geen leed van trotsen vrezen;
Een hut, waarin zij 't woelen,
Den twist der tong niet voelen.

Vers 17
Geloofd zij God, Die Zijn genade
Aan mij heeft groot gemaakt;
Die voor mijn welstand waakt:
Zijn oog slaat mij in liefde gade;
Hij wil mij heil bereiden;
Mij in een vesting leiden.

Vers 18
Ik heb, te moed'loos neergebogen,
En door de vrees gejaagd,
Weleer te ras geklaagd:
"'k Ben afgesneên van voor Uw ogen";
Dan nog woudt G' U ontfermen,
Toen Gij mij hoordet kermen.

Vers 19
Bemint den HEER, Gods gunstgenoten;
Den HEER, Die vromen hoedt,
En straft het trots gemoed.
Zijt sterk; Hij zal u niet verstoten:
Hun geeft Hij moed en krachten,
Die hopend op Hem wachten.

Psalm 31

Vers 1
Ik stel op U vast mijn betrouwen;
En laat mij nimmermeer
Tot schande komen, Heer!
erlos mij toch uit dit benauwen,
Naar Uw gerechtigheden,
Bekend in alle steden.

Vers 2
Neig U tot mij, die nu ben klachtig,
En om mij bij te staan
Wil U haasten voortaan;
Wees mij, Heer, een steenrotse krachtig;
Wil mijn ziel in dit lijden,
Als in een burcht bevrijden.

Vers 3
Gij zijt mijn burcht zonder versagen;
Dies om Uwes Naams wil
Voer mij uit dit geschil;
En uit de strikken voorgeslagen
Trek mij, o God almachtig,
Gij zijt mijn kracht waarachtig.

Vers 4
Den geest geef ik in Uwe handen,
Want Gij hebt mij bevrijd,
God, Die zo getrouw zijt.
Op U alleen heb ik gestanden.
Ik hate dat bedriegen,
IJdelheid en dat liegen.

Vers 5
Ik zal eens met vreugd mij verblijden
En zingen overbreid'
Heer, van Uwe goedheid.
Als Gij mij, die ben in dit lijden
En in een groot bezwaren,
Zult aanzien en bewaren.

Vers 6
Gij geeft mij niet in der vijanden
Geweld, want zij zijn wreed,
Zonder enig bescheed;
Maar Gij geeft mij, Heer, in deez' landen
Ruimte, die mij verkwikket,
Dat ik niet zij verstikket.

Vers 7
Laat mij sterkte van U verwerven;
Want overvallen gaar
Ben ik met angst en vaar;
Men ziet mijn gedaante versterven;
Mijn buik is ingevallen,
't Leven smelt mij met allen.

Vers 8
Door benauwdheid vergaat mijn leven.
Ik heb met zuchten zwaar
Versleten menig jaar.
Door smaad, van mijn haters bedreven,
Vergaat mijn kracht met enen,
Ja verdwijnen mijn benen.

Vers 9
Bij hen, die mij om niet verachten,
Zijn mijn naburen vrij.
Die hen schamen van mij.
Mijn vrienden, die mij t' eren plachten,
Vlieden en mij verlaten,
Zij schuwen mij op straten.

Vers 10
Zij hebben mij geheel vergeten,
Als waar ik dood verrot,
Ja een gebroken pot.
Zij smaden daar ze zijn gezeten;
Zodat aan alle zijden
Alle mensen mij mijden.

Vers 11
T' zamen zij naarstelijk raadplegen
Hoe dat zij klein en groot
Mij eens brengen ter dood.
Toch hoop ik op U allerwegen;
Dus spreekt mijn hart aandachtig:
Gij zijt mijn God almachtig.

Vers 12
In Uw hand staat mijn leven tere.
Van mijn vijanden kwaad.
Verlos mij met der daad.
Bevrijd mij van hen, die mij zere
Vervolgen en beladen.
Ja zoeken te verraden.

Vers 13
Laat over mij Uw aanschijn lichten,
Dat mij Uw goedigheid
Bewaar voor tegenheid.
Wil mij van Uwen weg berichten;
Behoed mij voor onere,
Dat bid ik U, o Heere!

Vers 14
Beschaamd en stom moeten zij wezen
De leugensprekers al,
Met haar nijdig geschal;
Die tegen den vromen geprezen
Zijn stout, fier en hoogmoedig,
In 't spotten overvloedig.

Vers 15
Hoe groot is 't, dat Gij hem wilt geven,
Die U met hart en geest,
O Heer, ten rechten vreest!
Heerlijk is 't en hoge verheven,
Dat Gij hem geeft genadig,
Die op U hoopt gestadig.

Vers 16
Bij U in Uwe woning schone
Verbergt Gij dien man goed
Voor der bozen hoogmoed.
Gij bewaart ook zijnen persone
Vrij en gans onbeladen
Voor de tongen, die schaden.

Vers 17
Ik wil U prijzen onverdroten,
Omdat Gij, Heer, altijd
Mij goed en vriend'lijk zijt,
En mij in een stad vast besloten
Bewaard hebt, zo 't mag blijken,
En beschermd desgelijken.

Vers 18
Zolang ik was in mijn versagen,
Sprak ik: Gij hebt mij gaar
Nu verstoten voorwaar.
Doch Gij hebt, Heer, verhoord mijn klagen,
Als ik in tegenheden
Geschreid heb en gebeden.

Vers 19
Hebt God lief, gij zijn uitverkoren,
Die de vromen behoedt,
En de wreden verdoet.
Zijt kloek, geeft den moed niet verloren;
Want God wil die aanschouwen,
Die op Hem vast betrouwen.