PSALM 4

Psalm 4


Informatie en bladmuziek over Psalm 4

Tekst en zang 1773 en Datheen

Product vergelijk (0)


Psalmbewerkingen voor orgel 1 - Margaretha Christina de Jong

Psalmbewerkingen voor orgel 1 - Margaretha Christina de Jong

Jong, Margaretha Christina de

Psalmbewerkingen voor orgel 1 van Margaretha Christina de Jong Inhoud: Psalm 01-10Opus 86..

€ 15,00

Psalmen voor piano deel 3 - Martien van der Zwan

Psalmen voor piano deel 3 - Martien van der Zwan

Zwan, Martin van der

Psalmen voor piano deel 3 - Martien van der Zwan Met bewerkingen over: - Psalm 27 - Psalm 4- Psalm ..

€ 11,95

Weergeven 1 t/m 2 van in totaal 2

Psalm 4

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.
2 Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? [Hoe] [lang] zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
3 Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.
4 Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
5 Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
6 Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!
7 Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
8 Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen.

Psalm 4

Vers 1
Wil mij, wanneer ik roep, verhoren,
O God, die mijne rechtzaak redt!
Gij hebt in angst mij hulp beschoren,
En mij doen gaan in ruime sporen;
Betoon genâ; hoor mijn gebed.
Wat moogt gij, mannen, toch beginnen?
Zal steeds tot schande zijn mijn eer?
Zult gij dan d' ijdelheid beminnen;
En, t' enemaal beroofd van zinnen,
De leugen zoeken, keer op keer?

Vers 2
Herinnert u, gij roekelozen,
Dat zich de HEER een gunstgenoot
Heeft afgezonderd en verkozen.
Hij doet mij nooit van schaamte blozen,
Die, als ik riep, mij bijstand bood.
Zijt gij beroerd, ontsteld, verlegen,
Zo zondigt niet; verzaakt uw wil;
Spreekt in uw hart; herdenkt uw wegen,
Op 't eenzaam bedde neergezegen;
En weest in all' ontmoeting stil.

Vers 3
Dan zult gij recht naar 't outer treden,
En off'ren God een rein gemoed,
Het offer der gerechtigheden,
En 't zuiv're reukwerk der gebeden;
Betrouwt op Hem, want Hij is goed.
Daar velen twijfelmoedig vragen:
"Wie zal ons 't goede toch doen zien?"
Doe Gij, o HEER', na 't angstig klagen,
Ons 't lieflijk licht Uws aanschijns dagen,
En wil Uw rijke gunst ons biên.

Vers 4
Gij hebt m' in 't hart meer vreugd gegeven,
Dan and'ren smaken in een tijd,
Als zij, door aards geluk verheven,
Bij koorn en most wellustig leven,
ln hunnen overvloed verblijd.
Ik zal gerust in vrede slapen,
En liggen ongestoord ter neer;
Want Gij alleen, mijn schild en wapen,
Schoon 't onheil schijnt voor mij geschapen,
Zult mij doen zeker wonen, HEER.

Psalm 4

Vers 1
Als ik U bid, open Uw oren,
O Heer, mijne gerechtigheid!
Laat mijn hart bang Uwen troost horen,
En U stedes komen te voren
Mijn gebed, naar Uw goedigheid.
Hoe lang zult gij zoeken, gij heren,
Mijn eer te schenden met hoogmoed?
En u tot ijdelheid bekeren?
De leugen ook, t' uwer onere,
Zo liefhebben als gij nu doet?

Vers 2
Bekent dat God mij in dit leven,
Boven de and're mensen al,
Tot enen koning heeft verheven,
Die mijn zuchten ende mijn beven
Van den hemel verhoren zal.
Zo gij gram werdt, wacht u van zonden,
Misdoet niet tegen Zijnen wil.
Op uwen leger wilt doorgronden
Dit werk. Laat af tot dezen stonde,
Mij te kwellen met dit geschil.

Vers 3
Offert dan een oprecht off'rande,
Met verslagen hart en gemoed.
Betert u van deez' zond' en schande,
En stelt op God zeer goederhande,
Geheel al uw vertrouwen goed!
Veel spreken: Hoe kan hij ons leren
Dat goed is en God aangenaam?
Naar Uw goedheid wil, Heer der heren!
Uw lieflijk aanschijn toch eens keren
Tot mij en al de mijnen t' zaam.

Vers 4
Want meer blijdschap is mij gegeven
Door Uw aanschijn, Heer goedertier,
Dan hen is, die hier zijn verheven,
Die met veel wijns en korens leven,
Hebbende haren wellust hier.
Dies zal ik mij in goeden vrede
Nederleggen en slapen wel.
Want Uw goedheid beschikt dit mede,
Die mij doet hopen hier beneden,
En in 't rijk doet hebben bevel.